Algemeen Sportbegeleiding en opvoeding


Normen en Waarden

Hoe vaak we deze woorden de laatste tijd niet hebben gehoord, iedereen heeft het erover of heeft er wel een mening over. Wat is de verantwoordelijkheid van Go-Ahead in deze? Of nog directer, wat is de taak van onze jeugdsportbegeleiders en trainers? Sportief en onsportief gedrag, hoe gaan we daar mee om? Een jeugdtrainer is zeker in het begin bij de allerjongsten vaak meer een opvoeder dan een sporttrainer...


"De resultaten van onze jeugd vallen tegen, er wordt wel hard gewerkt maar zonder resultaat..." Zomaar een reactie van een bestuurslid of ouder na het bekijken van de uitslagen en standen. "Waarom wordt nu net hij gewisseld, zo maken we nooit die gelijkmaker...," een begrijpelijke reactie van een toeschouwer langs de lijn, als de uitblinker wordt gewisseld. De jeugdtrainer/coach heeft een heel ander belang dan het bestuurslid of de supporter. Namelijk het opleiden van alle spelers in zijn team. 


Alle spelers beter maken, en dat botst vrijwel altijd met het spelen op resultaat. De sfeer kan in een team alleen goed zijn (of lees blijven) als iedereen elkaars fouten en mankementen accepteert. Daar moet door een trainer/coach vanaf het begin prioriteit aan worden gegeven. Pas als dat goed zit kan je verder werken. Sportief gedrag onderling, maar ook t.o.v. de tegenstander. Daarin schieten begeleiders vaak te kort. Dat is ze niet altijd kwalijk te nemen. Er is veel moed voor nodig om de sterspeler van het team eruit te halen omdat hij zijn medespelers uitgescheld als hij de bal weer niet goed aangespeeld krijgt. Met een man minder verder te moeten spelen omdat een speler disciplinair ter verantwoording moet worden geroepen. De te nemen maatregelen treffen in eerste instantie namelijk altijd het eigen team. Dat is dan weer nadelig op het te behalen resultaat, tenminste op de korte termijn. Op de lange termijn echter zul je er profijt van hebben. De jeugdtrainer/coach kijkt verder vooruit. Als er al in een vroeg stadium op resultaat gevoetbald wordt schuif je gedragsproblemen voor je uit. Dat uit zich dan op latere leeftijd (junioren) of al eerder als er vaak wedstrijden worden verloren. Je moet met 'sportieve opvoeding' dus aan de basis beginnen. Niets ten nadele van de moderne medische wetenschap maar als er in een team van acht spelers zes zijn die ADHD hebben dat zet je daar je vraagtekens bij! De spelers moeten eerst leren luisteren. Als er niet wordt geluisterd kan je ze ook niets leren. De grenzen, van wat wel en wat niet mag, moeten dan ook al in een vroeg stadium, dus bij de startende voetballertjes aangegeven worden door de trainers en jeugdbegeleiders. Dus zijn er voor iedereen basisregels waaraan men zich dient te houden. Jeugdbegeleiders en trainers moeten erop toezien dat dat ook gebeurd. Maar hoe reageer je dan als er iemand die regels overtreed? 

Sportieve opleiding van de jeugd

Met de pupillen en de junioren begint eigenlijk de sportieve opvoeding in verenigingsverband. Voor onze jeugdleiders en trainers is een eerste vereiste dat ze weten wat men onder opvoeding verstaat, hoe vanaf het beginstadium de ontwikkeling van het kind, zowel geestelijk als lichamelijk , verloopt en welke gebreken er van nature aankleven. Bij deze ontwikkeling van de jonge kinderen is het nuttig te weten op wat voor manier hij/zij dit kan begeleiden. Het streven zal hierbij steeds zijn om aan al de natuurlijke moderne eisen van het kind te voldoen, die voorkomen bij het beoefenen van sport. De, in onze voetbalsituatie, bal wordt stelselmatig tot opvoedingsmiddel verheven. Hierdoor zal hij de sporter beter leren kennen en met meer resultaat tot diens karaktervorming kunnen bijdragen. Bij alle werkwijzen is vooral dit laatste iets, wat altijd helder voor ogen moeten blijven staan. Dit is de belangrijkste taak , wil de vereniging en vooral later de maatschappij hiervan de rijpe vruchten kunnen plukken. De mogelijkheid, of de speler hierbij als technisch voetballer zal slagen, is hieraan ondergeschikt. Trouwens, spelers die karaktervast geschoold zijn, zullen zich met meer animo en wilskracht op de technische problemen gaan toeleggen. Veel sterker dan de spelers, die ieder besef van verantwoordelijkheid en doorzettingsvermogen missen. Omgekeerd is dit daarentegen niet het geval. Van technische vergevorderde voetballers, die slecht zijn opgevoed, maakt men niet zo gemakkelijk spelers met karakter. De praktijk wijst ook uit dat met dergelijke voetballers weinig te bereiken valt. Door mentaal overwicht, dat de zogenaamde teamspirit zo zeer versterkt, heeft menig team gezegevierd over tegenstanders , die technisch verre de meerderen waren, maar in sportieve zin niet behoorlijk waren opgevoed. Onze voetbalclub zou geen voetbalclub zijn en haar doel voorbijstreven, als zij niet voldoende aandacht besteed aan de technische vorming van zijn leden, maar dit mag bij de jeugdopleiding nooit het hoofddoel zijn. Het (voetbal) spel moet de hoofdzaak blijven, het gaat bij de jeugd niet alleen maar om de knikkers.


We gaan nu over tot het beantwoorden van de vraag: 'Wat verstaan we onder opvoeding?' Het antwoord is vrij eenvoudig: Opvoeding betekent letterlijk door voeding of voedsel ontwikkelen van lichaam en ziel. Het heeft vooral betrekking op de ziel, op het gemoed, en draagt zorg voor de sociale vorming van het individu, in tegenstelling tot het onderwijs, dat tot verstandelijke vorming bijdraagt. Dat niettemin opvoeding en onderwijs dienen samen te gaan en elkaar moeten aanvullen, behoeft geen verder commentaar.


Na deze verklaring volgen we het kind in zijn ontwikkelingsfasen van dichterbij. De babyfase slaan we even over. Als het kind gaat spelen, de lust tot het spel, zij het in zijn eenvoudigste vorm, dan komen we bij de belangrijkste stap voor het beantwoorden van onze in dit verband allesbeheersende vraag: "Waarom is juist het spel zo bijzonder geschikt, om kinderen op te voeden of wat te leren?"


In eerste instantie bepaalt het kind zich nog tot een vrolijk bezig zijn, dat nog geen resultaten oplevert. Zodra het kind zijn kracht begint te voelen, begint het eigenlijke spelen. Systeem zit er in het begin nog niet in. Krachtsuiting is het enige doel. In de eerste kinderjaren blijft het spel tot de meest simpele vorm beperkt. Het kind houdt zich bezig met het voortrekken van een plankje, voorzien van wieltjes. Hij is al tevreden als hij het geluid van de wieltjes hoort. Als hij wat ouder wordt legt hij lege doosjes op het plankje en brengt hij de lading naar een bepaalde plaats. Zo krijgt langzamerhand de bezigheid (het spel) een doel. Tenslotte wordt de verbeeldingskracht ingeschakeld en personen of andere dingen nagebootst. Maar pas als het kind gaat spelen met andere kinderen begint het spel zich pas echt te ontwikkelen. Over de keuze van het spel ontstaan in het begin nog wel meningsverschillen, maar al snel worden de kleuters voor overreding vatbaar.


Zo leert het spel hen samen werken tot een gemeenschappelijk doel!

De vrije uitvoering van zijn bewegingen zorgt voor een ongeremde ontwikkeling en oefent het verscheidene krachten zonder zich te overspannen. Zo wordt ook het spel in de beleving voor het kind steeds ernstiger. Zeker in het begin bij het voetballen is het belangrijk dat ze zoveel mogelijk hun eigen gang kunnen gaan. Laat ze lekker met z'n allen op de bal af gaan of lekker pingelen. Ze hebben in deze fase niet zoveel nodig om plezier te beleven aan hun spel. Op latere leeftijd zal men ook rekening moeten gaan houden met het gedrag en de wil van de sportbeoefenaar. Het spel biedt op jonge leeftijd het enige genot, waarbij het kind naar zijn aard gelukkig is. Het wordt een krachtig middel, om lichaam en geest te ontwikkelen en van de opvoeding moet het 't doel zijn, door spel op te leiden. Sport als dankbaar opvoedingsmiddel!


Onder deze gunstige omstandigheden is de taak van de jeugdleider in onze sport vanzelfsprekend heel wat eenvoudiger dan die van de ouders en vooral van de onderwijzer. Voor de jeugdleider kan dit gegeven een steuntje in de rug zijn, en zich niet al te gauw laten afschrikken en te twijfelen aan eigen kracht. Vooral op de scholen heeft men in dit opzicht met grotere moeilijkheden te kampen. Daar moet immers iedereen naar toe, of je het nu leuk vindt of niet. En iets onder dwang doen, daar zijn Nederlanders nou niet direct een liefhebber van! Bij de sport is dat anders. een gezond kind speelt graag, als het geen zin heeft, is het meestal ziek. De spelers komen zich vrijwillig aanmelden. Zij handelen uit pure liefhebberij. Ze voelen een drang naar ontspanning met lichaamsbeweging in de buitenlucht. Een gelukkig verschijnsel is dat kinderen die juist moeite hebben op school, zich vaak tot sport voelen aangetrokken. Dan is het werkgebied van de jeugdleider uitermate geschikt om ook deze kinderen via de sportopvoeding meer te laten bereiken. Tot zover, zo beknopt mogelijk, de eerste ontwikkelingsfase van de jonge sporters. 


De negatieve gedragsneigingen en - eventuele- oplossingen.

Ieder kind heeft van nature ook minder prettige eigenschappen. Gedurende de ontwikkelingsperiode van ieder kind openbaren zich aangeboren instincten, die de zogenaamde 'ondeugden' en gebreken inleiden. Voor deze sociale vorming van het kind moeten deze van het begin met de uiterste zorg worden bestreden, omdat anders de goede hoedanigheden onder dreigen te sneeuwen. De jeugdleider moet er rekening mee houden dat dit vele oorzaken kan hebben. Familiesituatie, omgang met 'slechte' vriendjes, etc. Contact met het gezin is daarom heel belangrijk. Dit zal in het begin veel tijd vergen en aanvankelijk zal je er als leider tegenop zien, maar later pluk je er alleen maar de vruchten van. Alleen door een harmonische samenwerking van club/ouder en eventueel ook school kan het doel worden bereikt.